Cees Nieuwenhuizen | Pianosonate nr. 5

Opus 39 ‘Vuur in Sneeuw’

 

 

De titel van de sonate ‘Vuur in Sneeuw’ slaat op de gelijknamige dichtbundel van Roland Holst die hij schreef in 1968. Het was één van zijn laatste bundels en bestaat uit een groot aantal gedichten die ieder op zich staan. Cees Nieuwenhuizen gebruikte ‘De Vreugde en de Dood‘, en ‘Mensen voor God’.

Cees Nieuwenhuizen componeerde Pianosonate nr. 5 Opus 39 in 1984/85. Aanvankelijk was het zijn bedoeling om een reeks liederen te componeren, gebaseerd op teksten van de Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976). Hij had al eerder werk van de dichter gebruikt in een aantal liederen (Opus 27) en een cantate (In Ballingschap, Opus 30), maar de teksten die hem nu inspireerden lieten zich niet gemakkelijk ‘vangen’ in een liedvorm, zelfs niet in een doorgecomponeerde vorm. Daarom besloot hij twee teksten te gebruiken die als monoloog worden toegepast. Met andere woorden: de eerste (De Vreugde en de Dood) wordt voorafgaand aan het eerste deel voorgedragen en de tweede (Mensen voor God) voorafgaand aan het tweede deel. Het eerste deel (Lento Presto) is opgebouwd uit de kiemcel Cis Ais B en dit kleine thema wordt in een vrije vorm uitgewerkt in de toonsoort b kl.t. Overigens wordt de toonsoort niet vastgehouden en zal er een vrije tonaliteit ontstaan die zich steeds laat inspireren op het gedicht. In het verloop van dit deel verandert het tempo een aantal keer om uiteindelijk in een Presto te eindigen. Het Presto is ook gebaseerd op de kiemcel, maar de noten worden nu ook in een andere volgorde toegepast. Het tweede deel (Langzame zestienden) is in een rondovorm geschreven en door de eigenaardige 9/16e maat krijgt het thema toch iets onrustigs, ondanks het zeer langzame tempo. Het deel is gebaseerd op de tekst ‘Mensen voor God’ waardoor een gevoel van treurmuziek ontstaat. Zo zou je deze muziek ook kunnen ‘voelen’. De openingsmaten van het eerste deel zijn ook hier gebruikt, maar ze worden op een heel andere wijze toegepast. Het deel is in grote lijnen in een vrije tonaliteit geschreven, maar wordt nergens atonaal. Ook al lijkt dat bij het eerste aanhoren wel het geval. Het hele deel wordt vrijwel piano gespeeld, op twee uitzonderingen na waar de muziek het rondothema even verlaat. Het stuk eindigt onbestemd in pianissimo.