Het eerste deel van de fluitsonate componeerde Cees Nieuwenhuizen in 1981.  Het bleef lange tijd een eendelig werk. Pas in 2012 werd de compositie driedelig. In tegenstelling tot de andere werken uit de periode 1980/85 is het een tonale compositie met een eerste en een tweede thema in het eerste deel (Allegro), zoals we dat ook in de klassieke werken terug vinden. Wel worden dissonanten op het zware maatdeel niet vermeden en kent het werk ook vrije tonale momenten. Zo speelt de componist met majeur en mineur in het eerste thema van het eerste deel en verschijnen er ook dissonante samenklanken in de overgangsmaten, die terug leiden naar het eerste thema. Het deel staat in bes kleine terts, terwijl het tweede deel (Andante maestoso) in de ver afwijkende toonsoort E staat. Dit deel is in een liedvorm gegoten, met een cadens-achtige melodie in de fluitpartij tegen een ostinato begeleiding van de piano met Lydische elementen.
Het middengedeelte bestaat uit vrije elementen en een cadens voor de fluit.
Het laatste deel is een rondo, wederom in bes kleine terts (Molto allegro).
Dit deel wordt telkens onderbroken door cadens-achtige momenten voor de fluit, waardoor het rondo ‘gevoel’ op een grappige manier wordt verstoord. Uiteindelijk verschijnt het coda in de verlossende majeur toonsoort en sluit stralend af in Bes grote terts.